aanhanger
` aan – han – ger, de -woord (mannelijk), aanhangers,
` aan – han – ger, de -woord (mannelijk), aanhangers,
beminnen, belijden, huldigen, naleven
` aan – hang, de -woord (mannelijk), de gezamenlijke volgelingen of aanhangers: deze politicus heeft veel aanhang ; (ook schertsend ) personen die bij iem. horen, bijv. vrouw en kinderen of bedienden: daar logeert een oliesjeik met zijn aanhang
citaat, ontlening, overneming
speciaal teken, dat in verschillende programmeertalen en/of (code) stelsels in verschillende betekenissen en/of voor verschillende (besturings) doelen wordt gebruikt
flemend, klef, knuffelig, teder
` aan – ha – len, (haalde aan, h. aangehaald),
aanwassen, groeien, meerderen, oplopen, stijgen, toenemen, uitdijen, vermeerderen, wassen, vastgroeien, gedijen, tieren
Verf geschikt voor onderwater, die aangroei van organismen tegengaat
Aangroei van onderwaterorganismen op de scheepshuid.