aanhouden
` aan – hou – den, (hield aan,
` aan – hou – den, (hield aan,
bijbehorend
aaneenschakelen, bevestigen, bijeenvoegen, bijvoegen, fixeren, hechten, kleven, vastknopen, vastmaken, vastzetten, verbinden
servicesegment waarmee een bericht begint en waarmee het uniek geïdentificeerd is(1); begin van een bericht met informatie over bestemmingsadres, afzender, aard van het bericht, verzendtijd e.d.(2)
aan` han – ke – lijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zich gemakkelijk aan iem. hechtend; met veel genegenheid voor iem.: een aanhankelijk kind
Een wagen die gekoppeld wordt achter een aangedreven wagen en zo vooruit getrokken wordt.
appendix
organen, welke met een ander zijn verbonden
` aan – han – ger, de -woord (mannelijk), aanhangers,
beminnen, belijden, huldigen, naleven