aanstellen
` aan – stel – len, (stelde aan, h. aangesteld),
` aan – stel – len, (stelde aan, h. aangesteld),
Iemand die zich aanstelt.
` aan – ste – ker, de -woord (mannelijk), aanstekers, werktuig waarmee men iets aansteekt (aansteken, bet 1 ), zoals rookartikelen of een gasfornuis
` aan – ste – ken, (stak aan, h. aangestoken),
aandrukking van de basis van een stek
` aan – stal – ten, meervoudig zelfstandig naamwoord, toebereidselen: (geen) aanstalten maken om
vaststampen
aan` staan – de, de -woord, aanstaanden, verloofde
aan` staand ,, ` aan – staand, bijvoeglijk naamwoord,
doodbidder, kraai, lijkbidder, lijkdienaar, lijkdrager