aanstaan
` aan – staan, (stond aan, h. aangestaan),
` aan – staan, (stond aan, h. aangestaan),
` aan – spre – ken, (sprak aan, h. aangesproken),
impuls, voorafgaand aan de leesimpuls, om de te lezen magneetcel in een aanspreekbare toestand te brengen en aldus ruis te elimineren
impuls aangelegd na een schrijfimpuls, die om ruis zoveel mogelijk te elimineren, alle magneetcellen in een aanspreekbare toestand brengt
de mate van prikkelbaarheid of reactiebereidheid van zenuwen en zintuigen
registers die in de opdrachten worden genoemd en door de programma`s worden gebruikt voor het opbergen van resultaten, het berekenen van adressen e. d
het probleem van de toerekening van de aansprakelijkheid dat zich stelt, indien de kennisgeving van inbreuk geadresseerd is aan op zijn minst twee ondernemingen
toegankelijk
bepaalde aansprakelijkheid van Raad en Commissie, zoals voor handelingen die verband houden met een procedure voor eventuele vaststelling van antidumpingmaatregelen
inhoudende dat de eigenaars (van de bank) aansprakelijk zijn voor alle verplichtingen van de bank, voorzover daaraan niet uit het vermogen van de bank kan worden voldaan