aanstootgevend
aan – stoot` ge – vend, bijvoeglijk naamwoord, ergernis opwekkend
aan – stoot` ge – vend, bijvoeglijk naamwoord, ergernis opwekkend
` aan – stonds, aan` stonds, bijwoord, dadelijk
` aan – sto – ken, (stookte aan, h. aangestookt), figuurlijk aansporen tot iets kwaads;, ` aan – sto – ker, de -woord (mannelijk), aanstokers
initiator, veroorzaker
aankruisen, aanstrepen, merken, betten, opmerken, vermelden
veroorzaken
` aan – stel – ling, de -woord (vrouwelijk), aanstellingen, benoeming, vooral in overheidsdienst
aanstelleritis, komediespel, pose, theater, gemaaktheid
aanstellerij, gemaaktheid, komediespel, pose, theater
dikdoenerig, drukdoend, kwasterig, opgeschroefd, uitsloverig, dramatisch, gemaakt, nesterig, kleinzerig, kieskeurig