beetnemen
` beet – ne – men, (nam beet, h. beetgenomen), eigenlijk vastpakken, meest fig foppen; oneerlijk behandelen (bijv. bij een koop);, beet – ne – me` rij, de -woord (vrouwelijk), beetnemerijen
` beet – ne – men, (nam beet, h. beetgenomen), eigenlijk vastpakken, meest fig foppen; oneerlijk behandelen (bijv. bij een koop);, beet – ne – me` rij, de -woord (vrouwelijk), beetnemerijen
krijgen
machine waarin stoffen geklopt worden, en daardoor een steviger, meer gesloten weefsel met een hogere glans verkrijgen
` beet – je, I, het -woord, beetjes,
foutieve occlusie van het gebit, waardoor arthrosis van het kaakgewricht kan ontstaan, die gepaard kan gaan met oorverschijnselen
veemarkt
de -woord (mannelijk), beten,
beestenboel, varkensstal, rommel, zwijnenstal
bestiaal, dierlijk, bruut, grof, onmenselijk, ruw, wreed, verschrikkelijk
het -woord, beesten,