begaanbaar
berijdbaar, bevaarbaar, doorwaadbaar
berijdbaar, bevaarbaar, doorwaadbaar
be` gaan, I, (beging,
Turdus torquatus, deze lijster lijkt sterk op de merel met één duidelijk verschil, de witte band (bef) die de vogel over de borst heeft.
Een bijzondere aanleg, een gave.
kutlikken
legendarisch, bekend, beroemd, fameus, gekend, vermaard
bedevaart, pelgrimage, pelgrimstocht
suikerbiet
verkregen uit de wortel von de suikerbiet
aangrijpen, aanpakken, aanvatten, grijpen, omklemmen, vastgrijpen