beschaamd
be` schaamd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
be` schaamd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
bezeren, laederen, schade toebrengen, aantasten, bederven, deren, havenen, krenken, kwetsen, schenden, vernielen
be` schaafd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, met een zekere geestelijke ontwikkeling; welgemanierd;, het Algemeen Beschaafd (Nederlands), de taal die beschaafde Nederlanders en Nederlandstalige Belgen geacht worden te spreken
bes van de Sambucus nigra
chemisch element met atoomnummer 4
Egyptische lagere godheid in de gedaante van een dwerg, van wie ook een vrouwelijke vorm, Beset bestond
lijdzaamheid, onderwerping, resignatie, gelatenheid, overgave, bewaring
be` rucht, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, ten kwade bekend
kracht per oppervlakte die op een ingeklemd, rond papier-of kartonoppervlak bij gestadig toenemende, gelijkmatig verdeelde druk aan een zijde kan worden uitgeoefend op het ogenblik dat het te beproeven materiaal barst
berststerkte in N/m2 gedeeld door het gewicht in g/m2(luchtdroog)