beroving
be` ro – ving, de -woord (vrouwelijk), berovingen, gewelddadige ontneming, 1 roof
be` ro – ving, de -woord (vrouwelijk), berovingen, gewelddadige ontneming, 1 roof
be` ro – ven, (beroofde, h. beroofd),
berouwhebbend, boetvaardig, rouwmoedig, bedroefd, spijtig
be` rok – ke – nen, (berokkende, h. berokkend), veroorzaken, bezorgen: iem. schade berokkenen
be` rouw, het -woord, spijt over een verkeerde daad; berouw komt na de zonde ; rooms-katholiek :, akte van berouw, gebed tot uiting van berouw; zie ook bij, slaafs
be` roer – te, de -woord (vrouwelijk), beroerten, beroertes,
be` roe – ring, de -woord (vrouwelijk), beroeringen, onrust, opschudding
be` roe – ren, (beroerde, h. beroerd), in beroering brengen
belabberd, klote, afgrijselijk, akelig, armzalig, bar, bedenkelijk, besodemieterd, droevig, ellendig, erbarmelijk, flauw, hopeloos, jammerlijk, kut, miserabel, moeilijk, naar, onaangenaam, rot, slap, slecht, vervelend, vervloekt
bevat 2 componenten:de beroepspraktijk(voornamelijk bij de patroon-opleider)en de beroepstheoretische vorming(eerder in de cursussen in een vormingscentrum van de Middenstand)