weedom
droefheid, leed, smart, verdriet
droefheid, leed, smart, verdriet
Marihuana
I, de -woord & het -woord, weeën, pijn, smart; meervoudig zelfstandig naamwoord : weeën barensweeën;, II, bijvoeglijk naamwoord, flauw, naar: een wee gevoel hebben ;, III, tussenwerpsel, ach!: wee mij! ;, wee u!, ongeluk over u!;, wee je gebeente!, (bedreiging); zie ook bij, ach
weduwe, weeuw
weduwnaar
vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot
vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot
vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot
` we – du – we, de -woord (vrouwelijk), weduwen, weduwes, vrouw wier man gestorven is; vgl : weeuw ; zie ook bij groen en onbestorven
competitie, krachtmeting, match, prijskamp, race, verkiezing, wedkamp, concours, kamp, koers, ontmoeting, partij, strijd, toernooi, wedijver