weerstaan
weer` staan, (weerstond, h. weerstaan),
weer` staan, (weerstond, h. weerstaan),
tegenspreken, weerleggen
weer` spie – ge – len, (weerspiegelde, h. weerspiegeld),
balorig, dwars, ongehoorzaam, ongewillig, recalcitrant, tegendraads, tegenstrevend, balsturig, koppig, lastig, ongehoorzaam, onwillig, oproerig, stug, weerbarstig
de weersomstandigheden uitgedrukt in termen van zichten afstand ten opzichte van de volken en hoogtegrens gelijk aan of hoger dan de nader aangegeven minima
de weersomstandigheden uitgedrukt in termen van zicht, afstand ten opzichte de wolken en hoogtegrens die lager zijn dan de minima bepaald voor de weersvoorwaarden voor zichtvluchten
weer, weersgesteldheid
` weer – slag, de -woord (mannelijk), weerslagen, terugwerking
weersomstandigheden, weerstoestand, weertype, weer
spiegeling, weerglans, weerschijnsel, reflectie, terugkaatsing, weerkaatsing, fonkeling, glinstering