kloppen
` klop – pen, (klopte, h. geklopt),
` klop – pen, (klopte, h. geklopt),
ruzie, vechtpartij
naam voor enkele boorkevers of Ytofluizen wegens het(zwak)hoorbare getik dat zij kunnen veroorzaken
de -woord (mannelijk), kloppen, slag;, klop krijgen, slaag krijgen, figuurlijk verliezen;, Zuid-Nederlands :, geen klop doen, geen klap uitvoeren;, Zuid-Nederlands :, dat zijn kloppen!, dat is me wat!;, Zuid-Nederlands :, de klop van zijn leven krijgen, een klop met de hamer krijgen, een (morele) inzinking hebben (tijdens een wielerwedstrijd e.d.);, Zuid-Nederlands :, een goede klop … Lees verder
begijn
etterbak, hufter, smeerlap, teringlijer, klerelijer, lul, rotzak, schoft, balzak
bal, bol, teelbal, testikel, zaadbal
maseur, non, zuster
cenobiet, kloosterbroeder, monnik, ordesgeestelijke
Venstertype waarbij twee ramen van ongeveer gelijke grootte boven elkaar in 1 kozijn zijn gevat. Bij het oorspronkelijke kloostervenster is het bovenste raam voorzien van glas en het onderste van een luik.