zwijnenboel
smeerboel
smeerboel
` zwij – nen, (zwijnde, h. gezwijnd), informeel, boffen, geluk hebben
het -woord, zwijnen,
duizelen
beneveling, roes
bezwijming, flauwte
` zwijg – zaam, bijvoeglijk naamwoord, weinig sprekend;, ` zwijg – zaam – heid, de -woord (vrouwelijk)
geld waarvoor men iemands stilzwijgen koopt…
` zwij – gen, (zweeg, h. gezwegen),
` zwie – rig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, met zwier; elegant;, ` zwie – rig – heid, de -woord (vrouwelijk)