uitdraaien
` uit – draai – en, (draaide uit, h. uitgedraaid),
` uit – draai – en, (draaide uit, h. uitgedraaid),
` uit – draai, de -woord (mannelijk), uitdraaien, computerterm afdruk op papier van gegevens uit een computerbestand
uitgaan, dompen, doven, blussen, smoren, uitdoen, uitdrukken, afnemen
optakelen, optooien, uitmonsteren, kleden, optuigen, tooien, opschikken, opsmukken
` uit – doen, (deed uit, h. uitgedaan),
` uit – dij – en, (dijde uit, is uitgedijd), zich uitzetten, zwellen;, ` uit – dij – ing, de -woord (vrouwelijk)
bekokstoven, uitvinden, bedenken, uitpiekeren, verzinnen
` uit – de – len, (deelde uit, h. uitgedeeld), rondgeven; figuurlijk : klappen uitdelen, standjes uitdelen
Het witschilderen van de achtergrond van een rasteropname, zodat het beeld net uitgesneden lijkt.
tussen de Lid-Staten: prijsstabiliteit, overheidsfinanciën, wisselkoersen, rentevoet