zinken
` zin – ken, bijvoeglijk naamwoord, van zink: een zinken badkuip ; zinken muntstukken, 2, ` zin – ken,
` zin – ken, bijvoeglijk naamwoord, van zink: een zinken badkuip ; zinken muntstukken, 2, ` zin – ken,
zinkografie
metaalzout
chemisch element:atoomnummer 30
soort zaag met een blad van speciaal staal dat aan het trillen wordt gebracht met een strijkstok of een met vilt overtrokken klopper
voor vogelkooien bedoelde kleine automaat
` zin – gen, (zong, h. gezongen),
rillen, tintelen
` zin – de – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
de -woord (mannelijk), in bet 4, 5, 6 zinnen,