Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

vastrecht

vast, door verbruiker ongeacht het verbruik over een bepaald tijdvak (maand, kwartaal, jaar) verschuldigd bedrag; hoogte uniform, of naar vloeroppervlak, aantal vertrekken e. d

vastmaken

fixeren, vastbinden, vasthechten, bevestigen, vastleggen, vastzetten, vestigen, aanzetten

vastloper

object op de zeebodem dat de voortgang van een gesleept vistuig belet

vastlopen

` vast – lo – pen, (liep vast, is vastgelopen), scheepvaart,

vastliggende bindweefselcel

vastliggende cel van het algemene uit mesenchym ontstane (steun) weefsel van het lichaam, waarin zenuwen, bloedvaten, lymphbanen e.d.lopen en waardoor organen worden omgeven en gesteund

vastleggingsrecht

bepaalde, aan het auteursrecht verwante(‘ naburige’ ) rechten

vastleggen

` vast – leg – gen, (legde vast, h. vastgelegd), vastmaken: de hond vastleggen ; figuurlijk op schrift stellen: de resultaten van zijn onderzoekingen vastleggen ; blijvend toegankelijk maken: op de gevoelige plaat vastleggen

vastkrijgen

gevangennemen, vastzetten, bedotten, beetnemen, foppen

vastklemmen

vastmaken, vastzetten, beethouden, vasthouden

vasthoudend

onvermoeibaar, persistent, standvastig, verbeten, hardnekkig, volhardend, gierig