Woorden
zitten
` zit – ten, (zat,
zitplaats
` zit – plaats, de -woord, zitplaatsen,
zitpenning
presentiegeld, zitgeld
zitmeubel
deel van een stoel waarop het lichaam rust bij het zitten
zitkamer
` zit – ka – mer, de -woord, zitkamers, woonkamer
zithoogte
afstand tussen schedelhoogte en zitvlak
zitgeld
presentiegeld, zitpenning
zitdagen op helling
dokdagen = zitdagen in scheepsdok
zitdag
koopdag