aanpassen
` aan – pas – sen, (paste aan, h. aangepast),
` aan – pas – sen, (paste aan, h. aangepast),
` aan – pak – ken, (pakte aan, h. aangepakt),
` aan – pa – lend, aan` pa – lend, bijvoeglijk naamwoord, aangrenzend, ernaast liggend: een aanpalende kamer
het afgestemd zijn, of worden, van delen van organismen of van processen binnen en organisme op elkaar, en van deze delen, processen of ook van het gehele organisme op het milieu
opneming, adoptie, belijdenis, inzegening, aanvaarding, acceptie, erkenning, goedkeuring
` aan – ne – mer, de -woord (mannelijk), aannemers, iem. die een werk uitvoert voor opgegeven prijs
` aan – ne – men, (nam aan, h. aangenomen),
de identiteit van een andere geautoriseerde persoon aannemen door gebruik te maken van de identificatie van die persoon
waarde van de gepostuleerde simultane kans of kansdichtheid van een gegeven reeks steekproefuitkomsten, als functie van de in de kansverdeling voorkomende onbekende parameters
aanvaardbaar, acceptabel, begrijpelijk, bespreekbaar, bevattelijk, geldig, geloofwaardig, ontvangbaar, plausibel, redelijk, schappelijk, valabel