aanzienlijk
aan` zien – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
aan` zien – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
De mogelijke kanten waar je naar kunt kijken
` aan – zien, I, (zag aan, h. aangezien), zien naar; beschouwen:, aanzien doet gedenken, door het zien van iem. of iets worden herinneringen opgewekt;, iets niet kunnen aanzien, iets onduldbaar of ontoelaatbaar achten;, het is niet om aan te zien, de aanblik is onverdraaglijk;, iets met lede ogen aanzien, zie bij
omschakelaar ter verkrijging van complexe netverbindingen
` aan – zet – ten, I, overgankelijk werkwoord, (zette aan, h. aangezet),
Afwijking van de voorgeschreven(ontwerp)vorm tengevolge van de gereedschapaanzet tijdens de vervaardiging
Eerste steen links en rechts in een gemetselde boog. Evenals de sluitsteen zijn de aanzetstenen op constructieve punten geplaatst. Ze worden vanwege hun zwaardere belasting, maar ook uit decoratief oogpunt, veelal in natuursteen uitgevoerd.
voedingsspil, die wordt aangedreven door de werkstukspil via een tandwieloverbrenging
Relatieve snelheid van de gereedschapselektrode ten opzichte van het werkstuk in aanzetrichting
Component van de verspaningskracht in de richting van de aanzet