` aan – zien, I, (zag aan, h. aangezien), zien naar; beschouwen:, aanzien doet gedenken, door het zien van iem. of iets worden herinneringen opgewekt;, iets niet kunnen aanzien, iets onduldbaar of ontoelaatbaar achten;, het is niet om aan te zien, de aanblik is onverdraaglijk;, iets met lede ogen aanzien, zie bij