aftakelen
` af – ta – ke – len, (takelde af, is afgetakeld), achteruitgaan: dat oudje is de laatste tijd erg afgetakeld ;, ` af – ta – ke – ling, de -woord (vrouwelijk)
` af – ta – ke – len, (takelde af, is afgetakeld), achteruitgaan: dat oudje is de laatste tijd erg afgetakeld ;, ` af – ta – ke – ling, de -woord (vrouwelijk)
methode om lichamelijk en geestelijk vrij te raken van de stof waaraan men verslaafd is
botsen, ketsen, terugstuiten
terugstotend
activiteiten op het gebied van onderzoek of ontwikkeling met een specifieke doelstelling, een aanvangsdatum en een vermoedelijke einddatum, die binnen een bepaald onderzoekteam worden uitgevoerd en al dan niet extern worden gefinancierd
Plaat of beugel rondom de ponsnippel, om na de bewerking de strook of band tegen te houden en van de nippel of snijder te verwijderen
villen, leegplukken, doorzoeken, plunderen, uitkleden, uitschudden, afhalen, kwellen, pellen, schillen
op een objectglas uitgestreken hoeveelheid van een microscopisch te onderzoeken stof, bv. bloed, sputum, faeces, een bacteriecultuur
pandoering, berisping, slaag, straf, troef
aansteken, wegstrijken, vertrekken, weggaan