aftocht
` af – tocht, de -woord (mannelijk), aftochten, het wegtrekken;, de aftocht blazen, (het sein geven tot) vertrekken;, de aftocht dekken, maatregelen nemen om de aftocht veilig te doen geschieden
` af – tocht, de -woord (mannelijk), aftochten, het wegtrekken;, de aftocht blazen, (het sein geven tot) vertrekken;, de aftocht dekken, maatregelen nemen om de aftocht veilig te doen geschieden
afbeulen, afjakkeren, afmatten, afpeigeren, uitputten, vermoeien
nabelasting
aan het einde van een film verschijnende opgave met alle bij de totstandkoming van de film betrokkenen
de reactie op een prikkel in een gevoelszenuw, welke aanhoudt, nadat de prikkel is opgeheven
` af – ten, meervoudig zelfstandig naamwoord, = aphtae
uitgangssignaal van een magneetkern bij het lezen
systematisch aftasten van een object of beeld, bijv. met een fotocel, zodat een reeks impulsen wordt doorgegeven die met intensiteitsverhoudingen van het beeld overeenkomen en die tevens met de plaats gecorreleerd kunnen zijn
meet-en regelsysteem waarbij het verschil tussen onafhankelijke en geregelde grootheid wordt gemeten en alleen op intermitterende intervallen correctie wordt doorgevoerd
bestand volgens bepaalde criteria raadplegen