afwijken
` af – wij – ken, (week af, is afgeweken), een andere richting nemen, hebben;, afwijken van, niet overeenkomen met;, een afwijkende mening, een andere mening dan de meest gangbare
` af – wij – ken, (week af, is afgeweken), een andere richting nemen, hebben;, afwijken van, niet overeenkomen met;, een afwijkende mening, een andere mening dan de meest gangbare
vrijheid…;zich vrij in een staat verplaatsen en wonen
af` we – zig, bijvoeglijk naamwoord, er niet zijnde; figuurlijk niet met zijn aandacht bij het gesprokene zijnde;, af` we – zi – ge, de -woord, afwezigen
absentie, ontstentenis, forfait, ontbreken, absence, verstrooidheid
Het vanuit vliegtuigen afwerpen, al dan niet met parachute, van eerste levensbehoeften (geneesmiddelen, voedsel of materiaal)
van poststukken t.b.v.sortering
` af – wer – ken, (werkte af, h. afgewerkt),
het overtollige metaal, dat op de scheiding van de boven-en ondermatrijshelft bij het stampen is ontstaan, verwijderen
afslaan, afstoten, afwenden, afwijzen, pareren, tegenhouden, verdrijven, wegslaan
afschuiven van verantwoordelijkheden op milieugebied op particuliere ondernemingen