beterschap
` be – ter – schap, de -woord (vrouwelijk),
` be – ter – schap, de -woord (vrouwelijk),
met teer opsmeuren
` be – ter, I, vergrotende trap van goed ; figuurlijk tamelijk goed of gunstig;, ik weet niet beter dan dat…, ik meen te weten dat…;, iets altijd beter (willen) weten, eigenwijs zijn;, het wat beter hebben, krijgen, materieel, financieel in wat gunstiger omstandigheden verkeren, resp. komen te verkeren;, ergens beter van worden, ergens voordeel … Lees verder
genotmiddel om te kauwen, voornamelijk bestaande uit bladeren van de betelplant, een tropische, peperachtige plant
carcinoom van het wangslijmvlies als gevolg van betelpruimen
het pruimen van sirih
carcinoom van het wangslijmvlies als gevolg van betelpruimen
significantie:het significant zijn.Significant:(statistisch)verantwoorde conclusies toelatend
semantiek
semantisch aspect van een taalbouwsel met datgene wat daar in taalgebruik aan wordt toegevoegd