betitelen
bestempelen, etiketteren, tituleren, aanspreken, kwalificeren, noemen
bestempelen, etiketteren, tituleren, aanspreken, kwalificeren, noemen
aanklacht, aantijging, belediging, beschuldiging, betichting, tenlastelegging, aanklacht
be` tich – ten, (betichtte, h. beticht), beschuldigen: hij betichtte mij van diefstal
verdachte
religie, zie Betesda
inhouden
be` teu – terd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, verlegen, onthutst
` be – ter – schap, de -woord (vrouwelijk),
met teer opsmeuren
` be – ter, I, vergrotende trap van goed ; figuurlijk tamelijk goed of gunstig;, ik weet niet beter dan dat…, ik meen te weten dat…;, iets altijd beter (willen) weten, eigenwijs zijn;, het wat beter hebben, krijgen, materieel, financieel in wat gunstiger omstandigheden verkeren, resp. komen te verkeren;, ergens beter van worden, ergens voordeel … Lees verder