bezig
` be – zig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
` be – zig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
aanwenden, gebruiken, toepassen
be` zien, (bezag, h. bezien),
be` zie – ling, de -woord (vrouwelijk), het bezielen; geestdrift, innerlijke aandrift
begeesteren, leven geven aan, vitaliseren, aanvuren, animeren, drijven, inspireren, verrukken
bevlogen, geïnspireerd, gedreven, enthousiast, geanimeerd, geestdriftig, levend, toegewijd
bezettingsgraad, bezettingspercentage: verhouding tussen mogelijkheid en feitelijk gebruik (van vervoermiddelen)
be` zich – ti – gen, (bezichtigde, h. bezichtigd), met aandacht bekijken;, be` zich – ti – ging, de -woord (vrouwelijk)
Gemiddeld aantal verbindingen tussen twee gegevensverwerkende systemen per uur
be` zet – ting, de -woord (vrouwelijk), bezettingen,