bezorgen
verschaffen, verzorgen, bedelen, brengen, geven, leveren, opleveren, procureren, verlenen, berokkenen, veroorzaken
verschaffen, verzorgen, bedelen, brengen, geven, leveren, opleveren, procureren, verlenen, berokkenen, veroorzaken
enveloppe die de informatie bevat die hoort bij de bezorging van een bericht
be` zorgd – heid, de -woord (vrouwelijk), ongerustheid
be` zorgd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zich zorgen om iets makend, ongerust: bezorgd zijn over de toekomst
beschonken, dronken, kachel, lazarus, teut, aangeschoten, beneveld, keil, ladderzat, zat, dwaas, gek
bedachtzaam, weloverdacht
het voorkomen van denkstoornissen bij volkomen helder bewustzijn
emolumenten, traktement, beloning, betaling, loon, salaris
omgangsregeling
Recht v.d. niet met de voogdij belaste ouder.