Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

bezorgen

verschaffen, verzorgen, bedelen, brengen, geven, leveren, opleveren, procureren, verlenen, berokkenen, veroorzaken

bezorgenveloppe

enveloppe die de informatie bevat die hoort bij de bezorging van een bericht

bezorgdheid

be` zorgd – heid, de -woord (vrouwelijk), ongerustheid

bezorgd

be` zorgd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zich zorgen om iets makend, ongerust: bezorgd zijn over de toekomst

bezopen

beschonken, dronken, kachel, lazarus, teut, aangeschoten, beneveld, keil, ladderzat, zat, dwaas, gek

bezonnen

bedachtzaam, weloverdacht

bezonnenheidswaan

het voorkomen van denkstoornissen bij volkomen helder bewustzijn

bezoldiging

emolumenten, traktement, beloning, betaling, loon, salaris

bezoekrecht

Recht v.d. niet met de voogdij belaste ouder.