blijmoedig
blij, opgeruimd, opgewekt, vrolijk
blij, opgeruimd, opgewekt, vrolijk
` blij – ken, (bleek, is gebleken), duidelijk zijn of worden
denaturatie (hier):irreversibile structuurverandering van eiwitten, bv. door koken
manifest, duidelijk, kennelijk, klaarblijkelijk, merkelijk, ogenschijnlijk, schijnbaar
het -woord, blijken, bewijs, teken;, blijk geven van, bewijzen te beschikken over, bewijzen te bezitten of te gevoelen
jubel, opgewektheid, vreugde, blijdschap
levenslustig, monter, opgeruimd, opgewekt, tierig, welgemoed
Een toevluchtsoord voor vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld(in België:vluchthuis)
waarbij iedereen op zijn eigen strook blijft rijden(1)
` blijd – schap, de -woord (vrouwelijk), aangenaam gevoel van vrolijkheid, veroorzaakt door een prettige gebeurtenis: juichen van blijdschap ; met blijdschap van iets kennis nemen ; blijdschap tonen om, over iets