boomkroon
het bovendeel met de zich uitspreidende takken van een boom
het bovendeel met de zich uitspreidende takken van een boom
Schip waarvan de vislijnen van de trawl door hangerblokken, bevestigd aan het uiteinde van twee gieken, worden gevoerd
langgerekt trechtervormig net dat door een vissersvaartuig over de bodem gesleept en door een boom(balk)opengehouden wordt
Klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven.
Klein zangvogeltje blauwe rugzijde en oranjegele buikzijde, dat bij het zoeken naar voedsel in de schorsspleten, de boomstam op en neer kan klimmen.
Nestkast voor vogels die aan een boom is opgehangen.
bruyère, bruyèrehout: wortelhout van de boomdopheide/boomheide, voor tabakspijpen
vrucht van de Corylus colurna
jaarlijks gebeuren
` boom – gaard, boomgaarden, ` bo – gaard, de -woord (mannelijk), bogaarden, stuk land met vruchtbomen