brommer
` brom – mer, de -woord (mannelijk), brommers,
` brom – mer, de -woord (mannelijk), brommers,
brommig, humeurig, verveeld, knorrig, ontevreden
` brom – men, (bromde, h. gebromd),
atoomnummer 35,atoomgewicht 79.916,halogeen, vormt overgang tussen chloor en iodium; zouten en andere verbindingen gebruikt als sedativum, antisepticum en röntgencontrastmiddel
benaming voor en aantal verbindingen
leer betreffende de meest gewenste voedingvan mens of dier
brompot
bij datatransmissie, ruis geproduceerd door de wisselstroomvoeding of door de nog aanwezige rimpel op de gelijkstroomvoeding
werktuig bij de bereiding van kaassoorten waarvan de wrongel voor het vormen een rijping ondergaat, zoals bij Friese Nagelkaas
brokkenmaker