Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

vlieg

de -woord, vliegen, zeer veel voorkomend vliegend insect, lid van de onderorde Brachycera of Cyclorrapha van de Tweevleugeligen, vooral de soorten Musca domestica (kamervlieg of huisvlieg) en Fannia canicularis (kleine kamervlieg of hondsdagenvlieg);, iem. een vlieg afvangen, a) iem. een voordeeltje voor zijn neus weghalen; b) hem met een snedige opmerking voor zijn;, niets afslaan … Lees verder

vlezige lip

aan de ingang van de mond, bij Tweekleppigen (oesters, mosselen e.d.)

vlezig

handelsklasse II bij geslachte varkens

vleugje

` vleug – je, het -woord, vleugjes, zweempje: een vleugje wind ; een vleugje hoop behouden

vleugelvrucht

nootvrucht met een tot een vleugel uitgegroeide vruchtwand (berk, iep, dubbel bij esdoorn)

vleugelstuk

elk der gebeeldhouwde zijstukken, veelal in voluutvorm, die halsgeveltoppen en geveltrappen flankeren