deugdzaam
` deugd – zaam, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, braaf;, ` deugd – zaam – heid, de -woord (vrouwelijk)
` deugd – zaam, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, braaf;, ` deugd – zaam – heid, de -woord (vrouwelijk)
` deug – de – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, degelijk, goed in orde
het worde gegeven met het recept;het recept worde op het etiket overgeschreven
de -woord, deugden, geneigdheid tot het goede, het redelijk-goed-zijn; goede eigenschap; rooms-katholiek : de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde ;, lieve deugd, uitroep van verbazing;, deugd doen, goeddoen, weldadig aandoen;, Zuid-Nederlands :, er deugd van, aan hebben of er deugd aan beleven, er genoegen aan beleven;, Zuid-Nederlands :, een deugd van, aanduiding dat … Lees verder
de afname van een opzwelling, het kleiner worden van een gezwel
onthoofding, speciaal van een foetus bij een moeilijke bevalling
verwijdering van een sonde ;het wegnemen van een buisje na intubatie
resten van een vergane stof of weefsel, ondefinieerbare celresten in urine sediment of ander preparaat
nadeel
Ontgiftingsproces bij ontwenningskuren