de -woord, deugden, geneigdheid tot het goede, het redelijk-goed-zijn; goede eigenschap; rooms-katholiek : de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde ;, lieve deugd, uitroep van verbazing;, deugd doen, goeddoen, weldadig aandoen;, Zuid-Nederlands :, er deugd van, aan hebben of er deugd aan beleven, er genoegen aan beleven;, Zuid-Nederlands :, een deugd van, aanduiding dat iets of iem. voortreffelijk is in zijn soort;, Zuid-Nederlands :, een deugd van een kind, een zeer braaf kind;, Zuid-Nederlands :, een deugd van een pintje, een voortreffelijk, lekker pilsje; zie ook bij, nood