eenstemmig
eendrachtig, gelijkgestemd, gelijkgezind, unaniem, eenparig, eensgezind, onverdeeld, unisono
eendrachtig, gelijkgestemd, gelijkgezind, unaniem, eenparig, eensgezind, onverdeeld, unisono
Geslacht van meestal gedoornde houtige gewassen met gezaagde of diep ingesneden bladeren, tuilen witte bloemen en meestal, rode, besvormige steenvruchten
gelijkluidend
` eens – ge – zind ,, eens – ge` zind, bijvoeglijk naamwoord, een van zin; eendrachtig;, eens – ge` zind – heid, de -woord (vrouwelijk)
` eens – klaps, bijwoord, plotseling
I, bijwoord, een keer;, er was eens (een koning, prinses e.d.), begin van veel sprookjes;, II, bijvoeglijk naamwoord :, het eens zijn, van dezelfde mening zijn, vrede hebben;, III, voegwoord, Zuid-Nederlands als, zodra: eens het voorbereidend werk klaar is, kan de beplanting beginnen ;, eens dat, als, zodra
associatie, waarbij overdracht slechts in één richting mogelijk is
Statief met een poot, vaak inschuifbare een-benige ondersteuning voor een camera of ander instrument.
drijvende opslagtank voor aardolie die met zware ankerkettingen aan de zeebodem is bevestigd
eensgezind, gelijkgestemd, onverdeeld, unaniem, algemeen, eenstemmig, gelijkmatig