I, bijwoord, een keer;, er was eens (een koning, prinses e.d.), begin van veel sprookjes;, II, bijvoeglijk naamwoord :, het eens zijn, van dezelfde mening zijn, vrede hebben;, III, voegwoord, Zuid-Nederlands als, zodra: eens het voorbereidend werk klaar is, kan de beplanting beginnen ;, eens dat, als, zodra