fiks
(«Frans«Latijn), bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
(«Frans«Latijn), bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
jatten, tengels, vingers, branden
Hondje, meest van een vuilnisbakkenras.
flikflooien, rommelen, rotzooien, foefelen, stoeien
aardig, exquis, lichtjes, netjes, sierlijk, subtiel, teer, tenger
brand
karakteristieken van ruimtelijke verdeling van grijstonen van de pixels in een gebied(1); de variatie van de intensiteit, gezien op kleine schaal, van de orde van de spatiële resolutie(2)
toestel waarin sterk verdunde papierstof naar vazelgrotte wordt gesorteerd en gezuiverd in een reeks zeven
fijnmaken, fijnwrijven, pulveriseren, vermalen, verpulveren
Schilder die met een haast fotografische precisie werkt(me t name Nederlandse schilders uit de 17e eeuw).