heilloos
` heil – loos, bijvoeglijk naamwoord, verderfelijk, snood
` heil – loos, bijvoeglijk naamwoord, verderfelijk, snood
zegenbede, zegenwens, gelukwens
` heil – zaam, bijvoeglijk naamwoord, geluk, voorspoed brengend: een maatregel met heilzame gevolgen
geneeskrachtige
besmuikt, ondergronds, steels, steelsgewijze, verholen, verstolen, bedekt, clandestien, geheim, illegaal, onderduims, stiekem, stilletjes, tersluiks, verborgen, verkapt, achterbaks, geheimzinnig, genieperig, geniepig, slinks
geboorteplaats, geboortestreek, vaderland
het optreden van een besmettelijke ziektein het gezin, van iemand of in de naaste omgeving van iemand, die kort geleden uit een ziekenhuis is ontslagen, vanwaar hij de infectiekiemen heeft meegebracht
schutting
` heim – wee, («Duits), het -woord, verlangen naar huis of geboorteland
onafwendbaar voorkomende gebeurtenissen veroorzaakt door natuurkrachten waarvan het niet in de menselijke macht ligt er invloed op uit te oefenen of ze af te wenden