goedschiks
gaarne, goedwillig, gewillig
gaarne, goedwillig, gewillig
goedhartig, goedig, vriendelijk, zachtaardig
opgeruimd, welgemoed
` goed – vin – den, I, (vond goed, h. goedgevonden), juist achten, goedkeuren;, II, het -woord, goeddunken: naar goedvinden handelen ; overeenstemming: met onderling goedvinden
goedzak
vroedvrouw
goedbloed, goedsul, goeierd, loebas
bereidwillig, gewillig, goedschiks
geestenbezweerder, wichelaar
soort uit de familie der mirte-achtigen/Myrtaceae van de klasse der tweezaadlobbigen van het plantenrijk