gewoonlijk
ge` woon – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zoals gewoon (I bet 2)
ge` woon – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zoals gewoon (I bet 2)
ge` woon – te, de -woord (vrouwelijk), gewoonten, gewoontes, wat men gewoon is te doen: de zeden en gewoonten van verre volkeren ;, gewoonte is een tweede natuur, men kan aan iets zo gewend raken, dat men het als van nature doet;, ouder gewoonte, volgens oud gebruik;, de macht der gewoonte, het automatisme dat voortvloeit … Lees verder
geregeld voorkomende pijn bij een chronische kwaal
ge` wricht, het -woord, gewrichten, verbindingsstuk dat beenderen ten opzichte van elkaar beweegbaar maakt
domweg, doodeenvoudig, eenvoudigweg, gladweg, ronduit, simpelweg, compleet, bepaald, geregeld, zomaar, nou eenmaal
strook kraakbeen in het os occipitale van een kind bij de geboorte tussen de pars squamosa en de beide partes laterales
pijnloze symmetrische hydrarthrose, speciaal van de kniegewrichten bij hereditaire syfilis
amputatie door een gewricht ;amputatie in een gewricht;het verwijderen van een gedeelte van een gewricht
fractuur in het gewrichtsgedeelte van een bot
bloedextravasaat in een gewrichtsholte; bloeding in een gewricht door contusie, distorsie, luxatie of hemofilie