kliercel
één der cellen in een klier, waarin het kliersecreet wordt gevormd en afgescheiden
één der cellen in een klier, waarin het kliersecreet wordt gevormd en afgescheiden
` klie – ren, (klierde, h. geklierd), informeel vervelend doen, zaniken, zeuren; kankeren (bet 2)
zakvormige holte als kleinste eindstuk van een klier
langwerpige speekselklier, gelegen in de fovea sublingualis van het corpus mandibulae onder de tong en op de musculus mylohyoideus
langwerpige klier bij de tongpunt lateraal van de musculus genioglossus, waarvan de uitvoergangen uitkomen langs de plica fimbriata
de -woord, klieren,
langwerpige klier bij de tongpunt lateraal van de musculus genioglossus, waarvan de uitvoergangen uitkomen langs de plica fimbriata
gereedschap op kaasboerderijen in gebruik voor het snijden en verder bewerken van de wrongel
gereedschap op kaasboerderijen in gebruik voor het snijden en verder bewerken van de wrongel
(«Frans), de -woord, klieken,