kneuter
kneu
kneu
knokkel, vingergewricht
horendol, kierewiet, stapelgek, tureluurs
knallend, spetterend
` knet – te – ren, (knetterde, h. geknetterd), met helder geluid herhaald knappen
irritant plagen
knarsen
` knel – len, (knelde, h. gekneld), sterk drukken;, ` knel – ling, de -woord (vrouwelijk)
gebouwtje op een kerkhof tot berging van doodsbeenderen uit opgeruimde graven
buigzaam, gedwee