kramp
de -woord, krampen, veelal pijnlijke spiertrekking
de -woord, krampen, veelal pijnlijke spiertrekking
kramp` ach – tig ,, ` kramp – ach – tig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, als in kramp, zeer gespannen
Getande metalen krammetjes ter sluiting van heelkundige insnijdingen en huidwonden, ter vervanging van de traditionele naald en draad; Bijzonder praktisch bij een verwacht groot aantal gewonden
krentenbrood
snuisterijen
venter
gammel, krakkemikkig, stumperig, sukkelig, versleten, vervallen
stukje gegolfd bandstaal waarvan één der randen is getand of afgeschuind, aan het stuk of op lengte gesneden, voor het aaneenhechten van houten delen
gammel, krakkemikkig, sukkelend, bouwvallig, gammel, versleten, vervallen, ziekelijk
de -woord, krammen, hoefijzervormige, puntige haak, vooral om iets te bevestigen of aan elkaar te hechten; Zuid-Nederlands :, in, uit zijn krammen schieten, a) zijn zelfbeheersing verliezen, uit zijn vel springen; b) sport in actie komen, losbarsten, in de aanval gaan;, Zuid-Nederlands :, iem. in zijn krammen jagen, iem. boos maken