kriebelen
` krie – be – len, (kriebelde, h. gekriebeld),
` krie – be – len, (kriebelde, h. gekriebeld),
jeuk
nijdas
` krib – big, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, narrig, lichtgeraakt;, ` krib – big – heid, de -woord (vrouwelijk)
` krib – ben, (kribde, h. gekribd), twisten, ruzie maken
Baak voor het in het belang van de scheepvaart aanduiden v.d. kop van een krib of van een strikdam; bestaat uit een paal met een bovenaan bevestigd latwerk in de vorm van driehoek of vierkant.
krib ,, ` krib – be, de -woord, kribben,
` kreu – pel, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, mank; figuurlijk niet vlot, gebrekkig: kreupele verzen
bedrijfsvorm, waarbij men de bomen voor zij hun volle hoogteontwikkeling hebben bereikt, laag bij de grond afzet om de zich uit de stronk ontwikkelde opslag periodiek te oogsten
rassen van Pisum sativum, de Erwt, waarvan de zaden, de erwten een gekreukt uiterlijk hebben