woon
woning, woonst, domicilie, woonplaats
woning, woonst, domicilie, woonplaats
Digest 1980 – Volkshuisvesting en Ruimt. Orden.
wet tot vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de volkshuisvesting
Nieuwe bijstandsnorm vanaf april 1985 voor alleenstaanden die gezamenlijk een zelfstandige woonruimte bewonen Het achter een voordeur wonen is geen criterium voor woningdeling, omdat zich achter een voordeur meer zelfstandige woonruimten kunnen bevinden, waarbij voor iedere woonruimte afzondelijk huur is verschuldigd
Beheerseenheid voor zowel de nieuwe als voor de bestaande voorraad.
` wo – ning, de -woord (vrouwelijk), woningen, huis, verblijf;, sociale woning, woning uit de sociale woningbouw
gehuisvest zijn, gevestigd zijn, huizen, zetelen, leven, resideren, verblijf houden
litteken
acute infectieziekte van de huid en het subacute bindweefsel, gekenmerkt door koorts, roodheid, zwelling en algemeen ziektegevoelen, veroorzaakt door Streptococcus pyogenes Rosenbach
metalen bandje met twee weerhaken, waarmee wondranden bijeen worden gehouden