pijpen
` pij – pen, (pijpte, h. gepijpt; verouderd peep, h. gepepen),
` pij – pen, (pijpte, h. gepijpt; verouderd peep, h. gepepen),
(«Latijn), de -woord, pijpen,
aspirine
middel ter stilling van pijn zonder bewustzijnsverlies te veroorzaken
pharmacon dat bij systemische toediening pijn vermindert, zonder beïnvloeding van het bewustzijn
middel ter stilling van pijn zonder bewustzijnsverlies te veroorzaken
kleurloze of amberkleurige vloeistof, rijk aan alfaterpineol, en vooral gebruikt in de textielindustrie als aanvochtend middel of oplosmiddel
pijnen, folteren, martelen, tormenteren, afpersen, dwingen, aftobben, kwellen
` pijn – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
pijnaanvallen bij carcinoom en myoma van de uterus