zeiker
femelaar, ouwehoer, zeikerd, zeurpiet, zanik, zeur
femelaar, ouwehoer, zeikerd, zeurpiet, zanik, zeur
` zei – ken, (zeek, h. gezeken; ook zeikte, h. gezeikt), informeel,
pies, pis, plas, urine
spreekwijs, spreekwoord, zegswijs, spreuk, uitdrukking
welsprekendheid, expressie, uitdrukkingskracht
een onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming(‘ de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend’ ), bij voorbeeld door eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften
` zeg – gen – schap, de -woord (vrouwelijk) & het -woord, invloed, recht van beslissen: zeggenschap hebben
` zeg – gen, I, (zei of zegde, h. gezegd),
rietgras
triomfzuil