Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

zeiker

femelaar, ouwehoer, zeikerd, zeurpiet, zanik, zeur

zeiken

` zei – ken, (zeek, h. gezeken; ook zeikte, h. gezeikt), informeel,

zeik

pies, pis, plas, urine

zegswijze

spreekwijs, spreekwoord, zegswijs, spreuk, uitdrukking

zeggingskracht

welsprekendheid, expressie, uitdrukkingskracht

zeggenschap uitoefenende onderneming

een onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming(‘ de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend’ ), bij voorbeeld door eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften

zeggenschap

` zeg – gen – schap, de -woord (vrouwelijk) & het -woord, invloed, recht van beslissen: zeggenschap hebben

zeggen

` zeg – gen, I, (zei of zegde, h. gezegd),

zegge

rietgras