zelfzeker
zelf` ze – ker, bijvoeglijk naamwoord, Zuid-Nederlands zelfverzekerd, vol zelfvertrouwen
zelf` ze – ker, bijvoeglijk naamwoord, Zuid-Nederlands zelfverzekerd, vol zelfvertrouwen
werkzaamheid uit eigen, innerlijke oorzaak of beweegkracht
automatisch
Geeft aan de werkhouding tussen lokale produktie en consumptie (in landbouwprodukten), maar geeft niet aan de verhouding tussen produktie en voor een goede voeding noodzakelijke consumptie.
hulpwerktuig op dorsmachines voor de toevoer van de graangewassen
zelfverloochening
wroeging, zelfbeschuldiging, spijt
de ontwikkeling tot individu of zelfstandige persoonlijkheid
zelfverklaard:op eigen verklaring berustend
schroef met scherpe schroefdraad die kan, zoals dit het geval is met houtschroeven, haar eigen weg snijden in de stoffen waarin ze wordt bevestigd (ter zake dunne bladen metaal, marmer, leien, eboniet, kunstmatige plastische stoffen, enz…)