Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

zelfzeker

zelf` ze – ker, bijvoeglijk naamwoord, Zuid-Nederlands zelfverzekerd, vol zelfvertrouwen

zelfwerkzaamheid

werkzaamheid uit eigen, innerlijke oorzaak of beweegkracht

zelfvoorzieningsgraad

Geeft aan de werkhouding tussen lokale produktie en consumptie (in landbouwprodukten), maar geeft niet aan de verhouding tussen produktie en voor een goede voeding noodzakelijke consumptie.

zelfvoeder

hulpwerktuig op dorsmachines voor de toevoer van de graangewassen

zelfverwijt

wroeging, zelfbeschuldiging, spijt

zelftappende schroef type Parker

schroef met scherpe schroefdraad die kan, zoals dit het geval is met houtschroeven, haar eigen weg snijden in de stoffen waarin ze wordt bevestigd (ter zake dunne bladen metaal, marmer, leien, eboniet, kunstmatige plastische stoffen, enz…)