Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

uitbraken

opgeven, overgeven, uitspuwen, uitbrullen, uitkramen, uitstoten

uitbouwen

` uit – bou – wen, (bouwde uit, h. uitgebouwd), een gebouw groter maken, uitbreiden; figuurlijk tot verdere ontwikkeling brengen

uitbouw

` uit – bouw, de -woord (mannelijk), uitbouwen, uitgebouwd stuk; figuurlijk het uitbreiden, het tot verdere ontwikkeling brengen

uitboren

Een reeds aanwezig gat door boren op grotere diameter brengen

uitboorwerktuig

gereedschapswerktuig voor het op maat afwerken van reeds aanwezige holten, welke door boren zijn verkregen og bij gieten zijn aangebracht

uitboormachine

gereedschapswerktuig voor het op maat afwerken van reeds aanwezige holten, welke door boren zijn verkregen og bij gieten zijn aangebracht

uitboorbank

gereedschapswerktuig voor het op maat afwerken van reeds aanwezige holten, welke door boren zijn verkregen og bij gieten zijn aangebracht

uitbollen

uitrollen, afronden, uitzakken, uitrusten, doorzakken

uitblinken

excelleren, schitteren, uitmunten

uitblussen

blussen, doven, uitdoven, uitmaken, uitdoen