uitknippen
afzetten, uitdoen, uitdraaien, uitklikken, uitzetten
afzetten, uitdoen, uitdraaien, uitklikken, uitzetten
(farmacie)scheidingsmethode bij vaste en vloeibare stoffen indien de hoeveelheid te scheiden stof vrij gering is en in aanzienlijke hoeveelheid in de vaste rest aanwezig is
uitslaan
` uit – kle – den, (kleedde uit, h. uitgekleed), de kleren uittrekken;, men moet zich niet uitkleden voor men naar bed gaat, men moet niets weggeven vóór zijn dood;, figuurlijk arm maken, veel geld laten betalen
het vervullen van de nodige douaneformaliteiten om invoergoederen in het vrije verkeer te brengen, om ze onder een andere douaneregeling te plaatsen of om goederen uit te voeren
opklaren
uitkijkplaats
opletten, oppassen, uitzien
Lid van de dekequipage dat is aangewezen om uit te zien naar schepen of naar voor de navigatie belangrijke objecten.
iemand die op grond van de voorschriften voor de sociale zekerheid recht heeft op een uitkering