uitmuntend
uit` mun – tend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zeer goed
uit` mun – tend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zeer goed
excelleren, schitteren, uitblinken, uitsteken
opschikken, uitdossen
afpassen, uitkienen
excentriek
Ten opzichte van het eronder gelegene vooruitspringend metselen.
opruimen, schoonmaken
afmeten
ontvlezen, afmatten, pijnigen, uitputten, uitteren, uitzuigen
door malen verkregen poedervormige massa van zetmeelhoudende plantaardige organen